Op
zoek naar het Oranjetipje
Mooi of lelijk. Dood of levend. Dat zijn
van die aspecten, waar wij altijd de zin en het nut van willen weten. Het is allemaal
eigenlijk heel betrekkelijk. Net zoals de vraag, waarom zo'n mooie vlinder als
een Oranjetipje (Anthocharis cardamines) maar een paar dagen leeft en we hooguit twee
en een halve maand van het beestje mogen genieten? Terwijl een huisvlieg veel
vaker te zien is, ondanks dat hij nog korter leeft en ons behoorlijk lastig kan
vallen. En wie vindt een vlieg mooi?
Oranjetipje
(Anthocharis
cardamines)
(klik
op foto)
Als
het Oranjetipje het hele jaar door eitjes zou leggen op de bladeren van de fuchsia
in onze vensterbanken, dan zagen we het beestje hoogstwaarschijnlijk ook als
een lelijk ongedierte. En zou het ondanks de prachtige kleuren in één
klap verpulverd of met een bestrijdingsmiddel verdelgd worden.
Toch is hetgeen waar we in de meeste gevallen last van hebben en wat we graag
willen bestrijden ook meestal lelijk in onze ogen en is wat we mooi vinden zeldzaam
of kort te aanschouwen. Maar wat is kort? Voor een Oranjetipje is een week misschien
een zelfde ervaring als voor ons vijftig jaar.
In elk geval kunnen we bij temperaturen van rond de twintig graden in de maanden
mei en juni genieten van deze prachtige vlinder. Het is onder vlinderaars een
soort sport om de eerste te vinden en het geeft ook een beetje het begin aan
van het echte vlinderseizoen. Het zijn de mannetjes met de oranje vleugeluiteinden,
die het eerst vliegen. De vrouwtjes volgen later en zien er in de vlucht uit
als een Koolwitje (Pieris rapae). Het zullen dan ook enkel de echte vlinderexperts
zijn die weleens zullen uitroepen: "Hé, daar vliegt het wijfje van
een Oranjetipje!" Pas als ze zitten valt op dat ze kleiner zijn dan een
Koolwitje. Maar ook de zwarte stippen en vlekken op de bovenzijde van de vleugels
zijn duidelijk anders. De onderzijde van de vleugels is echter typerend voor
het ‘Tipje', dat bij beide seksen hetzelfde getekend is.
Klein geaderd witje
(Pieris napi)
(klik op foto)
Elk voorjaar
is het weer spannend om ze op te sporen. In april valt dat meestal nog niet mee,
maar in mei is het al eenvoudiger, vooral op plaatsen waar look-zonder-look groeit.
Want naast de pinksterbloem is dat de plant waar de eitjes op worden afgezet.
Op een mooie, warme voorjaarsdag patrouilleren de mannetjes langs de paden en
heggen en is het moeilijk om deze opvallend gekleurde vlindertjes over het hoofd
te zien.
Ze fotograferen is weer wat anders. Zoals alle Witjes (Pieridae)
zijn ze erg onrustig en weet je nooit waar ze precies gaan zitten. Een Dagpauwoog
of Kleine vos is altijd wel weer terug te verwachten op een distel. Het Bonte
zandoogje (Pararge aegeria)
keert telkens weer, als het een mannetje is, terug naar zijn uitkijkpost.
Bij een Oranjetipje moet je het net treffen dat een vrouwtje eitjes afzet of dat
het mannetje op een bewolkte dag met een klein beetje zon met de vleugels gespreid
moet zitten om weer genoeg op te warmen om te kunnen vliegen. En een rustig nectar
drinkend Oranjetipje is ook een zeldzaamheid. Dat gebeurt vooral aan het begin
van de dag, dan zijn ze te vinden op
bloemen van bepaalde vlinderbloemige planten.
Bont zandoogje (Pararge
aegeria)
(klik op foto)
Elk voorjaar probeer ik ze zo vroeg mogelijk te ontdekken op een vaste plek, waar ik ze voorgaande jaren ook aantrof. Na al die speurtochten heb ik nog steeds niet dè foto van een Oranjetipje gemaakt. In de korte periode dat ze vliegen is het tot nu toe elk jaar opnieuw proberen. Daar komt bij dat in april, mei en juni de zonnige dagen ook niet talrijk zijn in ons natte landje. Dus als mijn vrije tijd het toelaat, negeer ik, wanneer de Tipjes talrijk zijn, alle andere Witjes en Dagpauwogen en zit ik regelmatig langs een wandelpad met de billen naar de zon gericht op mijn knieën en ellebogen te turen door mijn camera naar een 'zonnende’ tip. Het probleem bij het fotograferen van Witjes en dus ook Oranjetipjes is dat wit, uiteraard bij die groep vlinders, overheerst en dus de kans op overbelichte vlinders op de foto of dia groot is. Daarnaast 'zonnen' de tipjes vaak op de grond tussen of op het gras en dat levert nou niet echt fraaie composities op. Toch mocht het een keer gebeuren, dat een mannetje op een pinksterbloem zat. Ik maakte mij klein, voor zover dat mogelijk is en kroop op knieën en ellebogen langzaam naar voren. Minutenlang probeerde ik een goede compositie te vinden en de vlinder scherp in beeld te krijgen, want hij wandelde langzaam over de bloem. Af en toe lukte het mij door al die inspanningen zelfs niet om de camera stil te houden. Langzamerhand voelde ik het bekende zweet, dat bij het fotograferen van vlinders hoort, weer uitbreken. Ik lag er intussen bij alsof ik tussen het gras wanhopig op zoek was naar verloren contactlenzen. Omdat langzamerhand alles pijn deed aan mijn knieën en ellebogen en de compositie enigszins bevredigend leek, drukte ik op de ontspanknop van de camera. Ik stond abrupt op, nog steeds onzeker over de kwaliteit van de foto, maar blij dat ik uit die onhandige houding was bevrijd. De vlinder vloog direct op.
Oranjetipje
(Anthocharis
cardamines)
(klik op foto)
Achter
mij, op een kleine tien meter afstand, ontwaarde ik een groep stilstaande wandelaars,
die daar muisstil hadden gestaan en mij met een vragende blik aanstaarden. Eerst
drong het niet tot mij door en dacht ik dat zij bang voor mij waren en mij voor
een vreemde snoeshaan hielden. Maar de goede mensen waren zo attent geweest
te wachten met doorlopen om mij en de vlinder niet te verstoren. Kennelijk namen
zij aan dat mijn foto geslaagd was, want zij wierpen mij een tevreden blik toe,
knikten nog eens en vervolgden hun weg.
Het
nieuwe vlinderseizoen was goed begonnen...

vlinder
verder >>


warthog
productions 2006-2012